Udite amanti la cagione, oh Dio
Ch’a lagrimar  mi porta
Nell’adorato e bello idolo mio,
Che si fido credei, la fede è morta.

Vaghezza ho sol di piangere,
Mi pasco sol di lagrime,
Il duolo è mia delizia
E son miei gioie i gemiti.

Ogni martire aggradami,
Ogni dolor dilettami,
I singulti mi sanano,
I sospir mi consolano.

Ma se la fede negami
Quell’ incostante e perfido,
Almeno fede serbatemi
Sino alla morte, O lagrime!

Ogni tristezza assaltati,
Ogni cordoglio eternisi,
Tanto ogni male affiliati
Che m’uccida e sotterrimi.

 

 

Luister geliefden, naar de reden, Oh God!
die mij tot tranen brengt:
Mijn aanbeden en mooie idool,
U vertrouwde ik maar dat vertrouwen is dood.

Ik wil alleen nog maar huilen,
mij voeden met slechts tranen,
pijn is mijn vreugde,
evenals mijn zuchten.

Alle verdriet bevredigt mij,
Alle pijn verheugt mij,
Snikken genezen mij,
Zuchten troosten mij.

Maar als hij mij ontrouw is,
deze onbestendige en trouweloze minnaar,
laat dan tenminste mijn tranen mij trouw blijven
tot aan de dood.

Elk verdriet bekruipt mij,
Elke treurnis bestendigt zich
Zoveel leed treft me,
dood me en begraaf me.